|
|
|
|
De eerste geschreven vermelding van de gemeentenaam betreft een Latijnse oorkonde bij de overdracht van het altare van Anderlecht aan het Kamerijks kapittel door bisschop Geraard of Lietbertus in het jaar 1075. Alsdan lezen we: “altare etiam de Anderlecht cum appendicio suo de Delbecha”. Dilbeek wordt dus vermeld als afhankelijkheid (dochterkerk) van de Moederkerk Anderlecht. Deze ondergeschiktheid gold trouwens ook op wereldlijk vlak. Het hydronoom Delbecha is een gelatiniseerde versie van het oorspronkelijke Delbaki. Kerkelijke documenten werden steeds in het latijn opgesteld. Wij onderscheiden twee woorden nl. “Del” en “Becha”. Het eerste in het germaanse ôaljô –is een dialektische bijvorm van “Dal”; het tweede duidt op het germaanse “baki” wat beek betekent. Denken we maar aan het Duitse “bach”. Samen vormt dit “beek in het dal”. Een lijst toont ons de evolutie van de naam doorheen de eeuwen met het jaar waarin wij de schrijfvorm aantreffen.
De huidige schrijfwijze Dilbeek treffen we reeds aan in 1788. Andere verklaringen zijn:
Een geslacht de Dilbeke heeft bestaan tijdens de 13e, 14e en 15e eeuw; ondermeer Rainboldus de Dielbeke in 1215 en 1221. In 1490 wijlen Jans van dielbeke en Lysbeth van dielbeke dna Wil’s Scots. Mogelijk waren ze verwant met het geslacht Aa. |